teelt
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het kweken
- dat wat geteeld is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| teelten | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telen
- gebiedende wijs meervoud van telen
Vervoeging van teelt
teelthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het telen, het geteelde’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van teelt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teelten | meervoud | teelt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teelt zijn vastgelegd.