overeten
werkwoord /ˌovərˈʔetə(n)/Betekenis
- zich ~ uit gulzigheid te veel eten
Hoe spreek je overeten uit?
/ˌovərˈetən/
Overeten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| e | veel |
| t | tak |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van overeten
overetenhele werkwoord — overetenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overat | verleden tijd |
| overat je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| overat u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overat zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| overat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| overeet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overeet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeet u/je , overeet je | gebiedende wijs |
| overeet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overeet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overete zich | aanvoegende wijs |
| overeten | verleden tijd, deelwoord |
| overeten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me overeten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich overeten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je overeten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich overeten hebben | verleden tijd |
| zich overetend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons overeten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich overeten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u overeten | tweede persoon |
| zult u overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u overeten | tweede persoon |
| zult zich/u overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van overeten
Vervoeging van overeten
overetenhele werkwoord — overetenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overat | verleden tijd |
| overat je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| overat u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overat zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overat zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| overat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| overaten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| overeet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overeet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeet u/je , overeet je | gebiedende wijs |
| overeet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overeet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overeet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overete zich | aanvoegende wijs |
| overeten | verleden tijd, deelwoord |
| overeten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overeten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me overeten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich overeten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je overeten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich overeten hebben | verleden tijd |
| zich overetend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons overeten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich overeten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u overeten | tweede persoon |
| zult u overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u overeten | tweede persoon |
| zult zich/u overeten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
samenstelling van over bw en eten ww
Woordfamilie van overeten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overat | verleden tijd | overeten |
| overaten | woordvorm | overeten |
| overeet | woordvorm | overeten |
| overete | woordvorm | overeten |
| overetend | woordvorm | overeten |
| overetende | woordvorm | overeten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overeten zijn vastgelegd.