ontspruiten
werkwoordBetekenis
- een nieuwe loot vormen aan een plant of uit een zaad.
Vervoeging van ontspruiten
ontspruitenhele werkwoord — ontsprootverleden tijd enkelvoud — ontsprotenverleden tijd meervoud — ontsprotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontspruit | ontsproot |
| jij | ontspruit | ontsproot |
| hij, zij, het | ontspruit | ontsproot |
| wij | ontspruiten | ontsproten |
| jullie | ontspruiten | ontsproten |
| zij | ontspruiten | ontsproten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontsproten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontsproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontsproten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontsproten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontsproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontsproten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontsproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsproten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsproten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsproot | verleden tijd |
| ontsproten | verleden tijd, deelwoord |
| ontsproten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsproten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontspruit | gebiedende wijs |
| ontspruite | aanvoegende wijs |
| ontspruitend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontsproten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontspruiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontspruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontsproten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontspruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontsproten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van spruiten met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontspruiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsproot | verleden tijd | ontspruiten |
| ontsproten | voltooid deelwoord | ontspruiten |
| ontspruit | gebiedende wijs | ontspruiten |
| ontspruite | aanvoegende wijs | ontspruiten |
| ontspruitend | onvoltooid deelwoord | ontspruiten |
| ontspruitende | woordvorm | ontspruiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontspruiten zijn vastgelegd.