leen
zelfstandig naamwoord, werkwoord lenBetekenis
- onroerend goed (bijv. land, ambt of geldelijke inkomsten) dat door de leenheer voor genot en gebruik werd uitgeleend aan de vazal, in ruil voor een verplichting van persoonlijke trouw, militaire bijstand en belastinginkomsten
- ontvangen goed voor tijdelijk gebruik; lening
- te ~: tijdelijk aan een ander dan de eigenaar in handen gegeven
- lenen
- te ~: idem
Hoe spreek je leen uit?
/len/
Leen bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| leentjes | verkleinwoord, meervoud |
| lenen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenen
- gebiedende wijs van lenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenen
Vervoeging van leen
leenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘wat men voor tijdelijk gebruik ontvangt’ voor het eerst aangetroffen in 1215
Woordfamilie van leen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leentje | verkleinwoord | leen |
| leentjes | verkleinwoord meervoud | leen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leen zijn vastgelegd.