lenen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlenə(n)Betekenis
- iets tijdelijk gebruiken wat niet van jou is, dikwijls in ruil voor een kleine vergoeding
- zich ~ tot/voor; mogelijk maken
Hoe spreek je lenen uit?
/ˈlenən/
Lenen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding transitive
- iets aan iemand anders te leen geven transitive
Vervoeging van lenen
lenenhele werkwoord — leendeverleden tijd enkelvoud — leendenverleden tijd meervoud — geleendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leen | leende |
| jij | leent | leende |
| hij, zij, het | leent | leende |
| wij | lenen | leenden |
| jullie | lenen | leenden |
| zij | lenen | leenden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geleend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geleend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geleend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geleend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geleend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geleend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geleend | verleden tijd, deelwoord |
| geleend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geleend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geleend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geleend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geleend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geleend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geleend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leen | gebiedende wijs |
| leende | verleden tijd |
| lene | aanvoegende wijs |
| lenend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leen
Herkomst
In de betekenis van ‘te leen geven of krijgen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van lenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leende | verleden tijd | lenen |
| leenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lenen |
| leenen | woordvorm | lenen |
| leent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lenen |
| lene | aanvoegende wijs | lenen |
| lenend | onvoltooid deelwoord | lenen |
| lenende | woordvorm | lenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lenen zijn vastgelegd.