holoceen
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˌholoˈsenBetekenis
- geologisch tijdperk na de laatste ijstijd, laatste tijdvak van het periode quartair, van 11.700 geleden tot nu
- uit het holoceen, of met betrekking tot dat tijdperk
Hoe spreek je holoceen uit?
/ˌholoˈsen/
Holoceen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| l | land |
| s | sok |
| e | veel |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Vóór 2006 was de spelling Holoceen. |
Herkomst
van Frans Holocène, naam voorgesteld in 1867 door de Franse geoloog F.L.P. Gervais; afgeleid van Oudgrieks ὅλος (hólos) "helemaal" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "helemaal nieuw (leven)", omdat de fossielen uit deze periode helemaal van tegenwoordige soorten afkomstig zijn;
Woordfamilie van holoceen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Holoceen | neuter | holoceen |
| holoceens | woordvorm | holoceen |
| holocene | woordvorm | holoceen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van holoceen zijn vastgelegd.