plioceen
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˌplijoˈsen/Betekenis
- geologisch tijdperk waarin de eerste mensachtigen verschenen, tweede en laatste tijdvak van het periode neogeen, van 5,3 tot 2,6 miljoen jaar geleden
- uit het plioceen, of met betrekking tot dat tijdperk
Hoe spreek je plioceen uit?
/ˌplijoˈsen/
Plioceen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| s | sok |
| e | veel |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Vóór 2006 was de spelling Plioceen. |
Herkomst
van Engels Pliocene, naam voorgesteld in 1833 door de Britse geoloog C. Lyell; afgeleid van Oudgrieks πλείων (pleíoon) "meer" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "meer nieuw (leven)" omdat het merendeel van de fossielen uit deze periode van tegenwoordige soorten afkomstig is";
Woordfamilie van plioceen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Plioceen | neuter | plioceen |
| plioceens | woordvorm | plioceen |
| pliocene | woordvorm | plioceen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plioceen zijn vastgelegd.