leengoed
zelfstandig naamwoordBetekenis
- zaken die men te leen heeft en die men dus goed moet beheren en bewaren voor het nageslacht
- in een feodaal stelsel een gebied dat door een heerser te leen wordt gegeven aan een vazal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leengoederen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van lenen ww en goed zn
Woordfamilie van leengoed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leengoederen | meervoud | leengoed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leengoed zijn vastgelegd.