oligoceen
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˌoliɣoˈsen/Betekenis
- geologisch tijdperk waarin wat meer moderne levensvormen naar voren kwamen, derde en laatste tijdvak van de periode paleogeen van 34 tot 23 miljoen jaar geleden
- uit het oligoceen of betrekking hebbend op dat tijdperk
Hoe spreek je oligoceen uit?
/ˌolixoˈsen/
Oligoceen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| s | sok |
| e | veel |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Vóór 2006 was de spelling Oligoceen. |
Herkomst
van Duits Oligozän en Engels Oligocene, naam voorgesteld in 1854 door de Duitse geoloog H.E. Beyrich; afgeleid van Oudgrieks ὀλίγος (olígos) "weinig" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "weinig nieuw (leven)";
Woordfamilie van oligoceen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Oligoceen | neuter | oligoceen |
| oligoceens | woordvorm | oligoceen |
| oligocene | woordvorm | oligoceen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oligoceen zijn vastgelegd.