been
zelfstandig naamwoord, werkwoord /beːn/Betekenis
- ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
- bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
- stof waaruit benen/botten bestaan
- bot, ; zelfstandig onderdeel van een geraamte
Hoe spreek je been uit?
/ben/
Been bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — neuter
- ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen, meestal specifiek met betrekking tot het menselijk lichaam
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beenderen | enkelvoud |
| beentje | verkleinwoord |
| beentjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| beentjes[ | verkleinwoord, enkelvoud |
| benen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
- gebiedende wijs van benen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
Vervoeging van been
beenhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] been | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- zoon
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baniem | enkelvoud |
Woordfamilie van been
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beenderen | enkelvoud | been |
| beentje | verkleinwoord | been |
| beentjes | verkleinwoord | been |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van been zijn vastgelegd.