bewijs
zelfstandig naamwoord, werkwoord bə'wɛɪsBetekenis
- datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
- schriftelijk blijk van iets, bewijsstuk
Hoe spreek je bewijs uit?
/bəˈwɛis/
Bewijs bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bewijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bewijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| bewijzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
- gebiedende wijs van bewijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen
Vervoeging van bewijs
bewijshele werkwoord
Woordfamilie van bewijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bewijsje | verkleinwoord | bewijs |
| bewijsjes | verkleinwoord meervoud | bewijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bewijs zijn vastgelegd.