adventskalender
zelfstandig naamwoord ɑtˈfɛntskaˌlɛndərBetekenis
- de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht, elk nummer staat voor een datum van 1 tot 24 december, elke avond mag in de adventstijd een vakje met de juiste datum geopend worden en het daarin gevonden snoepje is dan van jou
- adventskalender
- een reeks programma's, artikelen, enz., die wekelijks in de adventstijd worden gestuurd en gaan over Kerstmis
Hoe spreek je adventskalender uit?
/ɑtˈfɛntskaˌlɛndər/
Adventskalender bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
| k | kat |
| a | maan |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adventskalenders | meervoud |
| adventskalendertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adventskalendertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van advent en kalender met het invoegsel -s-
Woordfamilie van adventskalender
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adventskalenders | meervoud | adventskalender |
| adventskalendertje | verkleinwoord | adventskalender |
| adventskalendertjes | verkleinwoord meervoud | adventskalender |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adventskalender zijn vastgelegd.