wezen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈʋeː.zə(n)/Betekenis
- alternatieve onbepaalde wijs van zijn.
- bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier
- de aard van iets
- zijn
Hoe spreek je wezen uit?
/ˈwezən/
Wezen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- alternatieve onbepaalde wijs vanzijn. auxiliary, copulative, ergative
Vervoeging van wezen
wezenhele werkwoord — geweestvoltooid deelwoord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van wijzen
Vervoeging van wezen
wezenhele werkwoord — geweestvoltooid deelwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wees
Herkomst
zn [1]: In de betekenis van ‘schepsel’ aangetroffen vanaf 1461
Woordfamilie van wezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wezend | woordvorm | wezen |
| wezende | woordvorm | wezen |
| wezens | meervoud | wezen |
| wezentje | woordvorm | wezen |
| wezentjes | meervoud | wezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wezen zijn vastgelegd.