was
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʋɑs/Betekenis
- weke laagsmeltende en waterafstotende stof zoals deze door bijen afgescheiden wordt om hun raten mee te bouwen
- het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
- het wasgoed:
- (aan)groei, stijging (vooral van water)
- vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden
- wat
- eerste en derde persoon verleden tijd van be|to be
Hoe spreek je was uit?
/wɑs/
Was bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- weke laagsmeltende en waterafstotende stof
- naamwoord van handeling: het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
- groei, stijging (vooral van water)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
- gebiedende wijs van wassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
Vervoeging van was
washele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van zijn
Vervoeging van was
washele werkwoord
Woordfamilie van was
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wasch | masculine | was |
| wasje | woordvorm | was |
| wasjes | meervoud | was |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van was zijn vastgelegd.