ruit
zelfstandig naamwoord, werkwoord rœytBetekenis
- een lucht- en waterdichte, maar lichtdoorlatende glasplaat als afsluiting van een venster
- een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
- een kraanoog of kraanoogkeper
- een van de vormen van een wapenschild
- een van de figuren uit een kaartspel, ♦
Hoe spreek je ruit uit?
/rœyt/
Ruit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- lucht- en waterdichte, maar lichtdoorlatende glasplaat als afsluiting van een venster
- vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
- kraanoog of kraanoogkeper
- van de vormen van een wapenschild
- figuur uit een kaartspel, ♦
- geslacht Thalictrum van overblijvende planten uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae), wereldwijd verspreid over alle gematigde gebieden. In Europa komen ongeveer 15 soorten voor, twee ervan, de poelruit (Thalictrum flavum) en de kleine ruit (Thalictrum minus) zijn ook in België en Nederland te vinden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruiten | meervoud |
| ruitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- gebiedende wijs meervoud van ruien
- enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiten
- gebiedende wijs van ruiten
Vervoeging van ruit
ruithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vensterruit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573