fluit
zelfstandig naamwoord, werkwoord flœytBetekenis
- een blaasinstrument
- een op luchtstroom werkend signaalinstrument
- een zeventiende en achtiende eeuws, zeegaand vrachtschip met drie masten
- een wijn/champagneglas met voet, het antieke model (17e eeuw) is erg lang en taps toelopend, het moderne is korter en boller, maar nog wel vrij slank
- penis
Hoe spreek je fluit uit?
/flœyt/
Fluit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- buisvormig blaasinstrument
- op luchtstroom werkend signaalinstrument
- zeegaand vrachtschip met drie masten uit de 17e en 18e eeuw
- een wijn/champagneglas met voet, oorspronkelijk uit de 17e eeuw
- mannelijk geslachtsdeel figuratively, informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fluiten | meervoud |
| fluitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fluitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van fluiten
- gebiedende wijs van fluiten
Vervoeging van fluit
fluithele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands flute / floite van Oudfrans flaute, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1351
Woordfamilie van fluit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fluitje | verkleinwoord | fluit |
| fluitjes | verkleinwoord meervoud | fluit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluit zijn vastgelegd.