vlieger
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
- een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar overstaande driehoeken aan elkaar gelijk zijn
- een betaalpenning die een bepaalde periode overal in Bolsward als betaalmiddel gebruikt wordt
- een klein roeibootje van het type schouw dat meegevoerd werd met een groter binnenvaartschip als bijbootje
- een klein driehoekig scheepszeil, dat voor en boven de kluiver tussen de (voorste) mast en de boegspriet wordt gevaren
- iemand die vliegt
- een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vliegers | meervoud |
| vliegertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vliegertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegeren
- gebiedende wijs van vliegeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegeren
Vervoeging van vlieger
vliegerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘latwerk met papier’ voor het eerst aangetroffen in 1625
Woordfamilie van vlieger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vliegers | meervoud | vlieger |
| vliegertjes | verkleinwoord meervoud | vlieger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlieger zijn vastgelegd.