buit
zelfstandig naamwoord, werkwoord bœytBetekenis
- goederen gewonnen door diefstal of verovering
Hoe spreek je buit uit?
/bœyt/
Buit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de prooi van een roofdier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
- gebiedende wijs meervoud van buien
Vervoeging van buit
buithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘wat men veroverd heeft’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573