duit
zelfstandig naamwoord dœytBetekenis
- een Nederlandse munt van vóór het begin van de negentiende eeuw, een honderdzestigste deel van een gulden
- geld
Hoe spreek je duit uit?
/dœyt/
Duit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| œy | huis |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duiten | meervoud |
| duitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| duitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘koperen munt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1268
Woordfamilie van duit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duiten | meervoud | duit |
| duitje | verkleinwoord | duit |
| duitjes | verkleinwoord meervoud | duit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duit zijn vastgelegd.