ruiter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de berijder van een rijdier, meestal een paard
- iets wat ergens op zit en er boven uit steekt
- een verticale plank op een nokgording ter ondersteuning van de nokvorsten
- een rek waarop onder meer bonen worden gedroogd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruiters | meervoud |
| ruitertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruitertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘paardrijder’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van ruiter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruiters | meervoud | ruiter |
| ruitertje | verkleinwoord | ruiter |
| ruitertjes | verkleinwoord meervoud | ruiter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruiter zijn vastgelegd.