biggenkruid
zelfstandig naamwoord ˈbɪɣə(n)ˌkrœytBetekenis
- een eetbare plant, die ook in de winter groen blijft en vroeger een belangrijke bron van vitamine C was
Hoe spreek je biggenkruid uit?
/ˈbɪxənˌkrœyt/
Biggenkruid bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| k | kat |
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- benaming voor planten uit het geslacht Hypochaeris
- blaadjes van 'gewoon biggenkruid' (Hypochaeris radicata) een eetbare plant, die ook in de winter groen blijft en vroeger een belangrijke bron van vitamine C was
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biggekruid | |
| biggenkruidje | verkleinwoord, enkelvoud |
| biggenkruidjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van big zn en kruid zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van biggenkruid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biggekruid | neuter | biggenkruid |
| biggenkruidje | verkleinwoord | biggenkruid |
| biggenkruidjes | verkleinwoord meervoud | biggenkruid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biggenkruid zijn vastgelegd.