spuit
zelfstandig naamwoord, werkwoord /spœy̯t/Betekenis
- nauwe buis bedoeld om onder druk een vloeistof eruit naar buiten te laten schieten.
- voornamelijk verkleinwoord: een injectie.
- injectiespuit
Hoe spreek je spuit uit?
/spœyt/
Spuit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| œy | huis |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spuiten | meervoud |
| spuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spuitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van spuiten
- gebiedende wijs van spuiten
Vervoeging van spuit
spuithele werkwoord
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
- gebiedende wijs meervoud van spuien
Vervoeging van spuit
spuithele werkwoord
Woordfamilie van spuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spuitje | verkleinwoord | spuit |
| spuitjes | verkleinwoord meervoud | spuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spuit zijn vastgelegd.