venster
zelfstandig naamwoord ˈvɛnstərBetekenis
- een opening in een wand of muur van bijv. een woning, waardoor licht naar binnen kan, vaak voorzien van lucht- en waterdicht materiaal als glas
Hoe spreek je venster uit?
/ˈvɛnstər/
Venster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- opening in de wand of muur van een gebouw, waardoor licht naar binnen kan, vaak voorzien van lucht- en waterdicht materiaal als glas
- rechthoekig deel van een scherm waarin de werking van een bepaald programma te zien is (bij computers waarop een gebruiker meerdere programma's naast elkaar kan bedienen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vensters | meervoud |
| venstertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| venstertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] via Middelnederlands venster / venstere en Oudnederlands fenstar van Latijn fenestra, in de betekenis van ‘muuropening om lucht en licht door te laten’ aangetroffen vanaf 1100; cognaat met Nedersaksisch Finster, Duits Fenster, Fries finster en Angelsaksisch fenester
Woordfamilie van venster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vensters | meervoud | venster |
| venstertje | verkleinwoord | venster |
| venstertjes | verkleinwoord meervoud | venster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van venster zijn vastgelegd.