ruiten
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈrœytə(n)Betekenis
- een kleursoort in het kaartspel
- van geruite stof vervaardigd
- ruiten maken op, in
- roven, plunderen
Hoe spreek je ruiten uit?
/ˈrœytən/
Ruiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ruit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruitens | meervoud |
| ruitentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruitentjes | verkleinwoord, meervoud |
Vervoeging van ruiten
ruitenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kleur in kaartspel’ aangetroffen vanaf 1612
Woordfamilie van ruiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruite | woordvorm | ruiten |
| ruitend | woordvorm | ruiten |
| ruitende | woordvorm | ruiten |
| ruitens | meervoud | ruiten |
| ruitentje | verkleinwoord | ruiten |
| ruitentjes | verkleinwoord meervoud | ruiten |
| ruitte | woordvorm | ruiten |
| ruitten | woordvorm | ruiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruiten zijn vastgelegd.