geluid
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣəˈlœytBetekenis
- trillingen in de lucht of andere substantie die door het oor waargenomen kunnen worden
- standpunt, mening
Hoe spreek je geluid uit?
/xəˈlœyt/
Geluid bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- trillingen die zich voortplant als een langsdrukgolf in de lucht of andere elastische stof (materie) en die door het oor waargenomen kunnen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geluiden | meervoud |
| geluidje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geluidjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van luiden
- voltooid deelwoord van luien
Vervoeging van geluid
geluidhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dat wat hoorbaar is’ voor het eerst aangetroffen in 1265.
Woordfamilie van geluid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geluiden | meervoud | geluid |
| geluidje | verkleinwoord | geluid |
| geluidjes | verkleinwoord meervoud | geluid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geluid zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- geluiddemper
- geluiddicht
- geluidhinder
- geluidloos
- geluidsafdichting
- geluidsbarrière
- geluidsbelasting
- geluidsdemper
- geluidsdrager
- geluidseffect
- geluidsemissie
- geluidsfragment
- geluidsgolf
- geluidshinder
- geluidsinstallatie
- geluidsisolatie
- geluidsman
- geluidsmuur
- geluidsoverlast
- geluidsprobleem
- geluidsscherm
- geluidssnelheid
- geluidsspoor
- geluidssterkte