spruit
zelfstandig naamwoord, werkwoord sprœytBetekenis
- een uitloper aan een plant
- een uitloper van de spruitkool Bressica
- overdrachtelijk iemands kinderen
- een onderdeel van de verstaging van een zeilschip
- een van twee horizontale balken waaraan de staart van een bovenkruier bevestigd is
- (uitloper, loot)
- (kind)
- een riviertje.
Hoe spreek je spruit uit?
/sprœyt/
Spruit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een uitloper van de spruitkool Brassica
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spruiten | meervoud |
| spruitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spruitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van spruiten
- gebiedende wijs van spruiten
Vervoeging van spruit
spruithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘loot’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van spruit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spruitje | verkleinwoord | spruit |
| spruitjes | verkleinwoord meervoud | spruit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spruit zijn vastgelegd.