tuit
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'tœytBetekenis
- schenkpijp aan een kan of ketel
- spits toelopend einde
Hoe spreek je tuit uit?
/ˈtœyt/
Tuit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tuiten | meervoud |
| tuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tuitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
- gebiedende wijs meervoud van tuien
- enkelvoud tegenwoordige tijd van tuiten
- gebiedende wijs van tuiten
Vervoeging van tuit
tuithele werkwoord
Herkomst
Van Middelnederlands tute/tuut . Het Duitse Tüte is duidelijk verwant, maar het is niet zeker of het in het Nederlands rechtstreeks hieraan is ontleend. In de betekenis van ‘punt’ voor het eerst aangetroffen in 1340
Woordfamilie van tuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tuitje | verkleinwoord | tuit |
| tuitjes | verkleinwoord meervoud | tuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuit zijn vastgelegd.