schuit
zelfstandig naamwoord /sxœyt/Betekenis
- een eenvoudig open vrachtvaartuig zonder dek, opbouw of aandrijving
- bij het weven gebruikte houder met het klosje garen
- een grote schoen
Hoe spreek je schuit uit?
/sxœyt/
Schuit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| œy | huis |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schuiten | meervoud |
| schuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schuitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1163
Woordfamilie van schuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schuiten | meervoud | schuit |
| schuitjes | verkleinwoord meervoud | schuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuit zijn vastgelegd.