ruitenwisser
zelfstandig naamwoord ˈrœytə(n)ˌwɪsərBetekenis
- een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
- een strook rubber in een houder met handvat dat gebruikt wordt bij het glazenwassen
Hoe spreek je ruitenwisser uit?
/ˈrœytənˌwɪsər/
Ruitenwisser bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruitenwissers | meervoud |
| ruitenwissertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruitenwissertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van ruit en wisser met het invoegsel -en-
Woordfamilie van ruitenwisser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruitenwissers | meervoud | ruitenwisser |
| ruitenwissertje | verkleinwoord | ruitenwisser |
| ruitenwissertjes | verkleinwoord meervoud | ruitenwisser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruitenwisser zijn vastgelegd.