ontsieren
werkwoordBetekenis
- van de schoonheid beroven
Vervoeging van ontsieren
ontsierenhele werkwoord — ontsierdeverleden tijd enkelvoud — ontsierdenverleden tijd meervoud — ontsierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsier | ontsierde |
| jij | ontsiert | ontsierde |
| hij, zij, het | ontsiert | ontsierde |
| wij | ontsieren | ontsierden |
| jullie | ontsieren | ontsierden |
| zij | ontsieren | ontsierden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ontsierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontsierd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontsierd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontsierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontsierd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontsierd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontsierd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontsierd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontsierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontsierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontsierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontsierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontsierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontsierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontsierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsier | gebiedende wijs |
| ontsierd | verleden tijd, deelwoord |
| ontsierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsierde | verleden tijd |
| ontsiere | aanvoegende wijs |
| ontsierend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontsierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontsieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontsieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontsierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontsierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van sieren met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontsieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsier | gebiedende wijs | ontsieren |
| ontsierd | voltooid deelwoord | ontsieren |
| ontsierde | verleden tijd | ontsieren |
| ontsierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontsieren |
| ontsiere | aanvoegende wijs | ontsieren |
| ontsierend | onvoltooid deelwoord | ontsieren |
| ontsierende | woordvorm | ontsieren |
| ontsiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontsieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontsieren zijn vastgelegd.