hobo
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
- iemand die een zwervend bestaan lijdt
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die een zwervend bestaan leidt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hobo's | meervoud |
| hobootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hobootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1714
Woordfamilie van hobo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hobo's | meervoud | hobo |
| hobootje | verkleinwoord | hobo |
| hobootjes | verkleinwoord meervoud | hobo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hobo zijn vastgelegd.