fluiten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈflœytə(n)Betekenis
- een fluit bespelen
- geluid van een fluit voortbrengen
- met een fluit een signaal geven
- als scheidsrechter optreden
- een geluid voortbrengen zoals zekere zangvogels
Hoe spreek je fluiten uit?
/ˈflœytən/
Fluiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met de lippen een geluid dat lijkt op dat van een fluit (als onder [1]) voortbrengen
Vervoeging van fluiten
fluitenhele werkwoord — flootverleden tijd enkelvoud — flotenverleden tijd meervoud — geflotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fluit | floot |
| jij | fluit | floot |
| hij, zij, het | fluit | floot |
| wij | fluiten | floten |
| jullie | fluiten | floten |
| zij | fluiten | floten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefloten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefloten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefloten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefloten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefloten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefloten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| floot | verleden tijd |
| fluit | gebiedende wijs |
| fluite | aanvoegende wijs |
| fluitend | onvoltooid, deelwoord |
| gefloten | verleden tijd, deelwoord |
| gefloten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefloten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fluiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fluiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fluit
Herkomst
afgeleid van fluit met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van fluiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| floot | verleden tijd | fluiten |
| floten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fluiten |
| fluite | aanvoegende wijs | fluiten |
| gefloten | voltooid deelwoord | fluiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluiten zijn vastgelegd.