Naar de inhoud

fluiten

een fluit bespelen

fluiten is meer dan één woord

fluiten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈflœytə(n)

Betekenis

  1. een fluit bespelen
  2. geluid van een fluit voortbrengen
  3. met een fluit een signaal geven
  4. als scheidsrechter optreden
  5. een geluid voortbrengen zoals zekere zangvogels

Hoe spreek je fluiten uit?

/ˈflœytən/

Fluiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈflœytən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
l land
œy huis
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. met de lippen een geluid dat lijkt op dat van een fluit (als onder [1]) voortbrengen

Vervoeging van fluiten

fluitenhele werkwoord — flootverleden tijd enkelvoud — flotenverleden tijd meervoud — geflotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fluit floot
jij fluit floot
hij, zij, het fluit floot
wij fluiten floten
jullie fluiten floten
zij fluiten floten
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gefloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefloten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefloten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefloten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefloten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefloten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefloten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
floot verleden tijd
fluit gebiedende wijs
fluite aanvoegende wijs
fluitend onvoltooid, deelwoord
gefloten verleden tijd, deelwoord
gefloten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefloten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fluiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fluiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fluiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord fluit

Herkomst

afgeleid van fluit met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van fluiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
floot verleden tijd fluiten
floten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fluiten
fluite aanvoegende wijs fluiten
gefloten voltooid deelwoord fluiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluiten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over fluiten

Hoe spreek ik fluiten uit?
Zo spreek je fluiten uit: /ˈflœytə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van fluiten?
Fluiten is een werkwoord. De betekenis is: een fluit bespelen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik fluiten?
Zo vervoeg je fluiten zo: de tegenwoordige tijd is fluit, de verleden tijd is floot en het voltooid deelwoord is gefloten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op fluiten?

Er staan 23 woorden in dit woordenboek die op fluiten rijmen, waaronder muiten, besluiten en buiten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op fluiten, uitspraak ˈflœytən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
muiten 2
besluiten 3
buiten 2
sluiten 2
snuiten 2
spruiten 2
spuiten 2
erbuiten 3
hierbuiten 3
uiten 2
daarbuiten 3
vanbuiten 3
ruiten 2
stuiten 2
binnenstebuiten 5
achterkajuiten 5
bloemenspuiten 4
boerenfluiten 4
gruiten 2
kachelruiten 4
oversluiten 4
tuiten 2
verspuiten 3

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fluiten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. L 3
  3. U 4
  4. I 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fluiten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. L 3
  3. U 2
  4. I 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

fluiten telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

fluiten in het kort

fluiten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van fluiten staan er 39 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort fluiten bij een woordfamilie van 4 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

fluiten: een fluit bespelen
Deel fluiten — standaardnederlands.nl