zink
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɪŋkBetekenis
- een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
- een meestal krom uitgevoerd koperblaasinstrument met vingergaten zoals bij een blokfluit
- een orgelregister
- atoomdeeltje van zink.
Hoe spreek je zink uit?
/zɪŋk/
Zink bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zinken | meervoud |
| zinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinken
- gebiedende wijs van zinken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinken
Vervoeging van zink
zinkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘chemisch element’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1736
Woordfamilie van zink
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zinkje | verkleinwoord | zink |
| zinkjes | verkleinwoord meervoud | zink |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zink zijn vastgelegd.