dubbelslaan
werkwoord ˈdʏbəlˌslanBetekenis
- in tweeën buigen
- omvouwen
Hoe spreek je dubbelslaan uit?
/ˈdʏbəlˌslan/
Dubbelslaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ʏ | put |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| s | sok |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van dubbelslaan
dubbelslaanhele werkwoord — sloeg dubbelverleden tijd enkelvoud — sloegen dubbelverleden tijd meervoud — dubbelgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla dubbel | sloeg dubbel |
| jij | slaat dubbel | sloeg dubbel |
| hij, zij, het | slaat dubbel | sloeg dubbel |
| wij | slaan dubbel | sloegen dubbel |
| jullie | slaan dubbel | sloegen dubbel |
| zij | slaan dubbel | sloegen dubbel |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dubbel te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbel te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbel zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dubbel zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbel zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dubbel zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dubbelgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| dubbelgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbelgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbelgeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dubbelgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dubbelgeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dubbelslaand | onvoltooid, deelwoord |
| dubbelslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dubbelsloeg | bijzin, verleden tijd |
| dubbelsloegen | bijzin, verleden tijd |
| er is dubbelgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dubbelgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dubbelgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dubbelgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dubbelgeslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dubbelgeslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dubbelgeslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dubbelgeslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dubbelgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla dubbel | gebiedende wijs |
| sloeg dubbel | verleden tijd |
| te hebben dubbelgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dubbelslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dubbelgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dubbelgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dubbelgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dubbelslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dubbelgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dubbelslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dubbelslaan dubbel zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dubbelslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dubbelgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dubbelslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dubbelgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dubbelgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dubbelslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult dubbelgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dubbel en slaan
Woordfamilie van dubbelslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dubbelgeslagen | voltooid deelwoord | dubbelslaan |
| dubbelsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dubbelslaan |
| dubbelslaand | onvoltooid deelwoord | dubbelslaan |
| dubbelslaande | woordvorm | dubbelslaan |
| dubbelslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dubbelslaan |
| dubbelsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | dubbelslaan |
| dubbelsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | dubbelslaan |
| sla dubbel | gebiedende wijs | dubbelslaan |
| slaan dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelslaan |
| slaat dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dubbelslaan |
| sloeg dubbel | verleden tijd | dubbelslaan |
| sloegen dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbelslaan zijn vastgelegd.