straal
zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoord stralBetekenis
- een rechte lijn vanaf het middelpunt naar een punt op een boloppervlak of cirkelomtrek
- een rechte, smalle bundel van elektromagnetische straling (licht, radio, warmte, röntgen enz.)
- een smalle bundel van een gas of vloeistof die door overdruk uit een vat of slang spuit
- zonder de aanwezigheid van anderen te willen of kunnen opmerken
Hoe spreek je straal uit?
/stral/
Straal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| straaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| straaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| stralen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stralen
- gebiedende wijs van stralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stralen
Vervoeging van straal
straalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘smalle lichtbundel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1263
Woordfamilie van straal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| straaltje | verkleinwoord | straal |
| straaltjes | verkleinwoord meervoud | straal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van straal zijn vastgelegd.