kanaal
zelfstandig naamwoord /ka'naːl/Betekenis
- gegraven waterweg, (scheepvaartkanaal)
- een (natuurlijke) tak van een rivier in een rivierdelta
- in de informatietheorie een entiteit tussen zender en ontvanger met een bandbreedte via welke het (na bemonstering) mogelijk is een aantal bits per seconde aan informatie over te dragen. (zie communicatiekanaal, radiokanaal, satellietkanaal, televisiekanaal, transmissiekanaal, videokanaal)
- in meest algemene zin: een transportmogelijkheid voor materie of informatie
- kanaal gegraven waterweg.
Hoe spreek je kanaal uit?
/kaˈnal/
Kanaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kanaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kanaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kanalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunstmatige waterweg’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Woordfamilie van kanaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kanaaltje | verkleinwoord | kanaal |
| kanaaltjes | verkleinwoord meervoud | kanaal |
| kanalen | meervoud | kanaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kanaal zijn vastgelegd.