cilinder
zelfstandig naamwoord si'lɪndərBetekenis
- lichaam, begrenst door twee gelijke evenwijdige cirkelvlakken en door een gebogen vlak
- deel waarin de zuiger op en neer gaat in motoren en machines
Hoe spreek je cilinder uit?
/siˈlɪndər/
Cilinder bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| i | riet |
| l | land |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- lichaam begrensd door twee gelijke evenwijdige cirkelvlakken en door een gebogen vlak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cilinders | meervoud |
| cilindertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cilindertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘rolrond voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van cilinder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cilinders | meervoud | cilinder |
| cilindertje | verkleinwoord | cilinder |
| cilindertjes | verkleinwoord meervoud | cilinder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cilinder zijn vastgelegd.