laser
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈlezərBetekenis
- lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
- bepaald soort zeilboot voor één persoon
Hoe spreek je laser uit?
/ˈlezər/
Laser bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als lezer.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lasers | meervoud |
| lasertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lasertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laseren
- gebiedende wijs van laseren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laseren
Vervoeging van laser
laserhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stralingsversterker’ voor het eerst aangetroffen in 1964
Woordfamilie van laser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lasers | meervoud | laser |
| lasertje | verkleinwoord | laser |
| lasertjes | verkleinwoord meervoud | laser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laser zijn vastgelegd.