Waal
zelfstandig naamwoord, eigennaam /wal/Betekenis
- (demoniem): uit Volcae werd genoemd. Verwant met Oudhoogduits Wal(a)h ‘Romaan; vreemdeling’, Oudengels Wealh ‘Kelt, Brit; vreemdeling, slaaf’ en Oudnoords Valir ‘inwoners van Noord-Frankrijk, Romanen, Kelten; slaven’.
- eigennaam: uit Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal (2005) 14e druk
- een bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
- de naam van een brede zijtak van de Rijn in Gelderland
- naam van een afgedamde rivierarm op IJsselmonde
Hoe spreek je Waal uit?
/wal/
Waal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| a | maan |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Waaltje | verkleinwoord |
| Waaltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| Walen | enkelvoud |
Herkomst
(demoniem): uit Middelnederlands Wāle, uit Oergermaans *Walhaz ‘Kelt, Romaan’, vermoedelijk teruggaand op de Keltische stam die in het Latijn Volcae werd genoemd. Verwant met Oudhoogduits Wal(a)h ‘Romaan; vreemdeling’, Oudengels Wealh ‘Kelt, Brit; vreemdeling, slaaf’ en Oudnoords Valir ‘inwoners van Noord-Frankrijk, Romanen, Kelten; slaven’.
Woordfamilie van Waal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Waaltje | verkleinwoord | Waal |
| Waaltjes | verkleinwoord | Waal |
| Walen | enkelvoud | Waal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Waal zijn vastgelegd.