sandaal
zelfstandig naamwoord /sɑnˈdal/Betekenis
- schoeisel dat bestaat uit een zool met banden
- lange doek met de breedte van de Torarol die vanaf de achterkant ervan met de rol mee wordt gewikkeld
Hoe spreek je sandaal uit?
/sɑnˈdal/
Sandaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sandaaltje | verkleinwoord |
| sandaaltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| sandalen | enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schoeisel’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van sandaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sandaaltje | verkleinwoord | sandaal |
| sandaaltjes | verkleinwoord | sandaal |
| sandalen | enkelvoud | sandaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sandaal zijn vastgelegd.