opaal
zelfstandig naamwoord /o'pal/Betekenis
- een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO2·nH2O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
Hoe spreek je opaal uit?
/oˈpal/
Opaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| p | pak |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| opalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mineraal’ voor het eerst aangetroffen in 1657
Woordfamilie van opaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opaaltje | verkleinwoord | opaal |
| opaaltjes | verkleinwoord meervoud | opaal |
| opalen | meervoud | opaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opaal zijn vastgelegd.