druk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord drʏkBetekenis
- pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
- situatie dat iets of iemand je tot iets dwingt
- keer dat iets gedrukt is
- weinig tijd hebbend
- weinig tijd latend
- zich onrustig gedragend
- met veel mensen, veel verkeer of grote bedrijvigheid
Hoe spreek je druk uit?
/drʏk/
Druk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als drug.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| drukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| drukjes | verkleinwoord, meervoud |
| drukken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drukken
- gebiedende wijs van drukken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drukken
Vervoeging van druk
drukhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het drukken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van druk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drukje | verkleinwoord | druk |
| drukjes | verkleinwoord meervoud | druk |
| drukkere | woordvorm | druk |
| druks | woordvorm | druk |
| drukst | woordvorm | druk |
| drukste | woordvorm | druk |
| drukvalletje | woordvorm | druk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van druk zijn vastgelegd.