maal
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ma:l/Betekenis
- tijdstip, tijd (vooral in samenstellingen en afleidingen)
- telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
- de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
Hoe spreek je maal uit?
/mal/
Maal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| l | land |
zelfstandig naamwoord
- tijdstip, tijd obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| malen | meervoud |
| ¹maal | canonical |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
zelfstandig naamwoord
- merkteken, vlek obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
zelfstandig naamwoord
- geërfde. markgenoot obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
zelfstandig naamwoord
- koe van anderhalf tot twee jaar, die nog niet heeft gekalfd obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
zelfstandig naamwoord
- zak, tas obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
- gebiedende wijs van malen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
Vervoeging van maal
maalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘melktijd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1726
Woordfamilie van maal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maaltje | verkleinwoord | maal |
| maaltjes | verkleinwoord meervoud | maal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maal zijn vastgelegd.