praal
zelfstandig naamwoord, werkwoord /'pral/Betekenis
- opzichtige schoonheid
Hoe spreek je praal uit?
/ˈpral/
Praal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen
- gebiedende wijs van pralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pralen
Vervoeging van praal
praalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573