taal
zelfstandig naamwoord, werkwoord /taːl/Betekenis
- een systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke vastlegging hiervan
- een formeel systeem dat door computers wordt begrepen
- (bij uitbreiding) een communicatiesysteem in het algemeen.
Hoe spreek je taal uit?
/tal/
Taal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke vastlegging hiervan
- een communicatiesysteem in het algemeen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| talen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van talen
- gebiedende wijs van talen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van talen
Vervoeging van taal
taalhele werkwoord
Herkomst
in de betekenis van ‘systeem van spraakklanken’ aangetroffen vanaf 1220
Woordfamilie van taal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taaltje | verkleinwoord | taal |
| taaltjes | verkleinwoord meervoud | taal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taal zijn vastgelegd.