schaal
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxalBetekenis
- voorwerp met open bovenzijde waar men iets kan inleggen
- buitenkant van een ei of vrucht
- verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
- bepaalde ijking op een grafiek , as of eenheid
Hoe spreek je schaal uit?
/sxal/
Schaal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| schalen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
- gebiedende wijs van schalen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
Vervoeging van schaal
schaalhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘maatstaf voor verhouding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1864
Woordfamilie van schaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaaltje | verkleinwoord | schaal |
| schaaltjes | verkleinwoord meervoud | schaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaal zijn vastgelegd.