signaal
zelfstandig naamwoord /sɪɲˈaːl/Betekenis
- een vorm van informatie met een genormeerde betekenis, bv. het geven van een afgesproken teken
- een vorm van informatie waarvan de betekenis nog onduidelijk is
- elektromagnetische straling die afkomstig is van een kosmische bron
- de elektrische spanning of stroom die afkomstig is van een detector, een microfoon, videocamera, dvd-speler, pc, sensor enz.
- de elektromagnetische (draag-) golf die afkomstig is van een radiozender (omroep, gsm enz.)
- de informatie die van de zintuigen naar de hersenen wordt overgebracht
Hoe spreek je signaal uit?
/sɪnjˈal/
Signaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| j | ja |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| signaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| signaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| signalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘teken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Woordfamilie van signaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| signaaltje | verkleinwoord | signaal |
| signaaltjes | verkleinwoord meervoud | signaal |
| signalen | meervoud | signaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van signaal zijn vastgelegd.