zaal
zelfstandig naamwoord /zal/Betekenis
- een grote ruimte in een gebouw
- het publiek in een grote ruimte
Hoe spreek je zaal uit?
/zal/
Zaal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| a | maan |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| zalen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘groot vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 639
Woordfamilie van zaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zaaltje | verkleinwoord | zaal |
| zaaltjes | verkleinwoord meervoud | zaal |
| zalen | meervoud | zaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaal zijn vastgelegd.