hoed
zelfstandig naamwoord, werkwoord hutBetekenis
- een hoofddeksel
- het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
- het koepelvormige deel van een kwal
- huisartsen onder een dak, een vorm van groepsprakijk
Hoe spreek je hoed uit?
/hut/
Hoed bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| u | boek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- huisartsen onder een dak, een vorm van groepspraktijk acronym
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoeden | meervoud |
| hoedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoedjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
- gebiedende wijs van hoeden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
Vervoeging van hoed
hoedhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands hoet, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ aangetroffen vanaf 1253
Woordfamilie van hoed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoedje | verkleinwoord | hoed |
| hoedjes | verkleinwoord meervoud | hoed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoed zijn vastgelegd.