klep
zelfstandig naamwoord, werkwoord klɛpBetekenis
- scharnierend bevestigde afsluiting die open en dicht kan
- orgaan in het hoofd van humanen waar ongewenst geluid uit komt, mond
- iemand die zijn 'klep' teveel gebruikt ouwehoer
- ventiel waarmee men gedoseerd stoffen (gas, vloeistof, poeders) van de ene ruimte naar de andere kan doen overgaan
- ver uitstekende rand aan een hoofddeksel om te voorkomen dat de zon in het gelaat schijnt (- zonneklep)
- klep van een broek: een deel van het zitvlak van een broek dat kan worden weggeklapt bij de toiletgang zodat men niet de hele broek hoeft uit te doen
Hoe spreek je klep uit?
/klɛp/
Klep bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɛ | bed |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- ver uitstekende rand aan een hoofddeksel om te voorkomen dat de zon in het gelaat schijnt (-> zonneklep)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klepjes | verkleinwoord, meervoud |
| kleppen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleppen
- gebiedende wijs van kleppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleppen
Vervoeging van klep
klephele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘klepper, deksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1490
Woordfamilie van klep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klepje | verkleinwoord | klep |
| klepjes | verkleinwoord meervoud | klep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klep zijn vastgelegd.